TAALFOUTEN

Taalfouten: Top 10 meest gemaakte taalfouten. Foutloos schrijven is lastig. Deze website over taalfouten helpt u hierbij door de meest gemaakte taalfouten weer te geven.

taalfouten.nl

This website may be for sale. Click here to inquire about this website.

Meest gemaakte taalfouten
Expositie Walter van Oel

 

Het maken van taalfouten kan iedereen overkomen, maar toch blijft het slordig staan wanneer het gebeurt. In kranten en in tijdschriften staan dagelijks taalfouten en ook op tv en internetsites komen taalfouten veelvoudig voor. De Nederlandse taal is een lastige taal en zit vol valkuilen, zo vinden ook de mensen die zich hebben verdiept in de Nederlandse taal. Ook voor hen zijn taalfouten soms onvermijdelijk. Om u een beetje te helpen geeft Taalfouten.NL een overzicht van veel gemaakte taalfouten en eenvoudige ezelsbruggetjes om u te helpen.

 

 

1. LOS OF VAST?

Wanneer je twee of meerdere woorden wilt verbinden om er 1 woord van te maken, moet deze nieuwe samenstelling altijd aan elkaar geschreven worden. In deze regel geldt ook dat de woorden niet omgewisseld kunnen worden zonder dat de samenstelling zijn betekenis verliest. Als de uitspaak van het woord door de samenstelling niet meer klopt, zet dan een koppelteken tussen de twee woorden.

 

Voorbeelden van samenstellingen:


Remlicht
Nachtlampje
Autoruit
Dansvloer

 

Voorbeelden van samenstellingen met koppelteken:


mavo-opleiding
lila-achtig

 

Uitzonderingen worden gevormd door samenstellingen waarbij de woorden ook eventueel omgewisseld kunnen worden, zonder dat de samenstelling zijn betekenis verliest. Deze worden dan met een koppelteken geschreven. Tevens worden samenstellingen waarbij het eerste woord naar een geografische- of demografischegroep verwijst en waar een cijfer of afkorting het eerste deel van de samenstelling vormt, met een koppelteken geschreven.

 

Voorbeelden van uitzonderingen:


Omwisselbaar: restaurant-bar, maatschappelijk-cultureel
Demografisch: Nederlands-hervormd, Rooms-katholiek
Geografisch: Zuid-Holland, West-Europa, Nieuw-Zeeland
Cijfers: 70-jarige, 65+-tarief
Afkorting: tv-gids, cd-speler

 

Samenstellingen waarbij het eerste woord gevormd wordt door een Latijns of Grieks voorvoegsel, worden ook met een koppelteken geschreven.

 

Voorbeelden Latijnse en Griekse voorvoegsels:
Vice-
Pro-
Quo-
ex-
Semi-

 

2. WELK VERWIJSWOORD?

Welke woorden dienen we te gebruiken om te verwijzen naar een zelfstandig naamwoord? Er zijn drie soorten woorden, namelijk mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden.

 

Om naar mannelijke woorden te verwijzen gebruikt men: hem, zijn, die of deze
Om naar vrouwelijke woorden te verwijzen gebruikt men: haar, die of deze
Om naar onzijdige woorden te verwijzen gebruikt men: hem, zijn dat

 

Voorbeelden:
De prinses dat  --> De prinses die
Het strand die  --> Het strand dat
De kabouter dat --> De kabouter die
Het schrift die --> Het schrift dat

 

Als je twijfelt over het geslacht van een woord kan je dit altijd opzoeken. Dit staat bijvoorbeeld vermeld achter het woord in het Groene Boekje, of in het woordenboek.

 

3. SPELLING

Sommige woorden blijven lastig om te spellen. Ze wijken af van de standaard spellingregels of de uitspraak doet vermoeden dat ze anders gespeld worden. Hier een aantal voorbeelden van woorden die vaak fout worden geschreven.

 

Abonnee
Accelereren
Accessoires
Accommodatie
Adellijk
Agressief
Aluminium
Aperitief
Appartement
Applaudisseren
Baby’s
Barbecue
Begrafenis
Begroeiing
Blocnote
Cadeau
Cafés
Caissière
Cappuccino
Chagrijnig
Comité
Conciërge
Consciëntieus
Crèche
Daarentegen
Diarree
Dichtstbijzijnd
Dieet
Distantiëren
Eczeem
Elektronisch
Euthanasie
Faillissement
Faliekant
Filet
Gedachtegang
Gerelaxt
Gewelddadig
Gezamenlijk
Grenzeloos
Guerrilla
Hbo’er
Hepatitis
Impresario
Interessant
Interview
Kangoeroe
Karekiet
Krokus
Lasagne
Liniaal
Loep
Millimeter
Monniken
Omelet
Onmiddellijk
Opticien
Parallel
Per se
Portemonnee
Pyjama
Rechtstreeks
Relaxed
Represaille
Satelliet
Seksualiteit
Sieraad
Stiekem
Te allen tijde
Ten minste
Ten slotte
Trukendoos
Vacature
Van tevoren
Verrassing

 

4. D's, t's en dt's, iedereen heeft er wel eens last van. Waar gaat het fout en wat zijn de ezelsbruggetjes?

 

De Nederlandse werkwoordspelling kent veel regels, maar minstens net zoveel uitzonderingen. Er wordt bij het vervoegen van werkwoorden uitgegaan van de stam van een werkwoord. Om de stam van een werkwoord te bepalen moet je van het hele werkwoord -en afhalen. Ook hierbij zijn er natuurlijk uitzonderingen.


Bijvoorbeeld: Meten - en = met. De ik-vorm van meten is 'ik meet' en niet 'ik met'. De vervoegregels gelden dus voor het gross van de werkwoorden, maar niet voor allemaal. 

 

Tegenwoordige tijd:
Ik   (hele werkwoord - en --> stam)
Hij/zij/Jij  (stam + t)
Wij/jullie/zij  (hele werkwoord)

 

Verleden tijd:
Ik  (stam + te/de)
Hij/zij/jij (stam + te/de)
Wij/jullie/zij (stam + ten/den)

 

Voltooid verleden tijd: ge + stam + t/d. 

 
Als je wilt weten of een woord in de voltooid verleden tijd een -t of een -d krijgt, kan het handig zijn om het woord in de verleden tijd neer te zetten. Wanneer het in de verleden tijd met een -t wordt geschreven, zal het in de voltooid verleden tijd ook een -t krijgen. Wanneer het woord in de verleden tijd met een -d wordt geschreven, dan wordt het in de voltooid verleden tijd ook met een -d geschreven.

 

Bijvoorbeeld:
Het gebeurt
Het gebeurde
Het is gebeurd.

 

Ik dans
Ik danste
Ik heb gedanst.

 

Of een werkwoord met dt wordt geschreven hangt af van de stam van het woord. Als de ik-vorm op een -d eindigt, wordt de tweede vorm enkelvoud altijd met -dt geschreven.

 

Bijvoorbeeld:
Houden
Ik houd
Hij/zij/jij houdt

 

Vinden
Ik vind
Hij/zij/jij vindt

 

Er wordt bij werkwoorden een onderscheid gemaakt tussen zwakke en sterke werkwoorden. Zwakke werkwoorden worden in de verleden tijd vervoegd zoals hier boven staat aangegeven. Sterke werkwoorden daarentegen kennen geen vaste regels. De ik-vorm in de verleden tijd van het werkwoord 'zeggen' wordt bijvoorbeeld niet 'ik zegde', maar 'ik zei'.

 

Voorbeelden van sterke werkwoorden:


Lopen
Ik loop
Ik liep
Ik heb gelopen

 

Zingen
Ik zing
Ik zong
Ik heb gezongen

 

Schrijven
Ik schrijf
Ik schreef
Ik heb geschreven

 

Hangen
Ik hang
Ik hing
Ik heb gehangen

 

5. OVEREENSTEMMING TUSSEN ONDERWERP EN PERSOONSVORM?


Wanneer je een zin schrijft moeten het onderwerp en de persoonsvorm van het werkwoord overeen komen. Als het onderwerp een meervoudsvorm is dan is het belangrijk dat het werkwoord ook in het meervoud geschreven wordt. Als er in een zin sprake is van een samengesteld onderwerp, waarbij er een samenstelling is van twee enkelvoudige onderwerpen of een onderwerp in de meervoudsvorm en een onderwerp in het enkelvoud moet het werkwoord ook in de meervoudsvorm geschreven worden.

 

Bijvoorbeeld:

 

De vogel vliegt.
De vogel en de vlinder vliegen.
De vlinders en de vogel vliegen.
Het meisje staat.
Het meisje en de jongens staan.
Het meisje en de jongen staan

 

6. HUN, HEN OF ZIJ?

Een veelgemaakte fout in de Nederlandse taal is het onderscheid tussen hun en hen. Het lastige is dat dit onderscheid verzonnen is. In de grammatica wordt hun vaak vervangen door zij, terwijl in de praktijk telkens vaker hun wordt gebruikt.

 

Bijvoorbeeld:
Hun weten niet wat hen te wachten staat --> Zij weten niet wat hen te wachten staat.

 

Beide zinnen mogen zo gebruikt worden. Hen is hierbij een verwijzing naar het onderwerp, hun of zij. Hun of zij mogen dus beide als onderwerp gebruikt worden, maar hen is altijd een verwijzing naar een meervoudsvorm van het onderwerp en zal nooit een op zichzelf staand onderwerp zijn.

 

7. VERKEERDE WOORDCOMBINATIES

 

Dat brengt met zich mee dat  --> Dat brengt met zich dat
Ik besef mij dat  --> Ik besef dat
Ik realiseer dat   --> Ik realiseer mij dat
Hij maakte het besluit   --> Hij nam het besluit

 


8. VERGELIJKING OF OVERTREFFENDE TRAP?

Wanneer je een vergelijking maakt tussen twee woorden gebruik je als als voegwoord: 

 

Hij is even lang als ik
Ik ben even oud als zij
Zij is even ver als ik

 

Wanneer je een overtreffende trap beschrijft gebruik je dat als voegwoord:

 

Hij is liever dan zij.
Zij is jonger dan ik.
Jij bent liever dan ik.

 

Om er achter te komen of je  dan ik of dan mij moet gebruiken kan het helpen om de zin af te maken. Dit doe je door er bijvoorbeeld het werkwoord zijn achter te zetten.

 

Zij is even ver als ik (ben)
Zij is even ver als mij (is)

 

Jij bent liever dan ik (ben)
Jij bent liever dan mij (is)

 

 

Taalfouten.nl is een activiteit van InformationStart Internet Concepts B.V. InformationStart beheert een groot aantal websites zoals:

  

www.Advocatengids.nl

 

www.ingebrekestellingvoorbeeld.nl

 

www.Hotelsboeken.nl

 

Meer websites: www.InformationStart.nl

| links |
InformationStart Internet Concepts B.V., The Netherlands